Wat zien we?
Over de periode 2010 – 2021 is de inzet van materialen in de Vlaamse economie gestegen. In 2020 kende de invoer van materialen een tijdelijke daling omwille van de coronacrisis. In 2021 herstelde de invoer van materialen zich.
We zien dat de ontginning in absolute zin min of meer constant gebleven is en doorheen de jaren dus niet meegestegen met de DMI, met een aandeel van ca. 17% in 2010 dat gedaald is naar een niveau van ca. 15% in de meest recente jaargangen. Deze daling is vooral toe te schrijven aan de ontginning van niet-metaalhoudende mineralen. Vlaanderen is dus bijzonder afhankelijk van invoer om de economie te doen draaien en deze afhankelijkheid is lichtjes gestegen. De ontginning in Vlaanderen omvat voor een derde biomassa en voor twee derde zand, klei, grind en uitgegraven grond en bodem (niet-metallische mineralen). Voor metalen en fossiele energiedragers is Vlaanderen volledig afhankelijk van het buitenland. Fossiele energiedragers maken het grootste deel uit van de invoer.
Waar willen we naartoe?
In een circulaire economie is een lager verbruik van materialen het streefdoel. Evenwel is een groot deel van de invoer van materialen in Vlaanderen bedoeld voor de productie van halffabricaten en afgewerkte producten die opnieuw worden uitgevoerd naar het buitenland. Het verbruik enkel voor Vlaamse consumptie wordt berekend via de Domestic Material Consumption. Indirect verbruik buiten Vlaanderen wordt meegenomen door de Raw Material Input en de Raw Material Consumption. De efficiëntie waarmee de Vlaamse economie omgaat met materialen wordt weergegeven via de materialenproductiviteit.