Wat zien we?
Afgezien van een lichte daling tussen 2012 en 2015, bleef de koolstofvoetafdruk van de consumptie in Vlaanderen vrij stabiel over de periode 2010-2019. In 2019 bedroeg hij 14,7 ton CO2-equivalenten per inwoner. Recentere cijfers zijn voorlopig niet beschikbaar. Om de gemiddelde globale temperatuurstijging te beperken tot 2 °C zouden de broeikasgasemissies op wereldniveau niet hoger mogen zijn dan gemiddeld 1 ton CO2-eq per capita per jaar.
In 2019 was 70% van de koolstofvoetafdruk gekoppeld aan goederen en diensten die huishoudens aankopen. De overige 30% was afkomstig van emissies gekoppeld aan investeringen van bedrijven en overheden in onder meer gebouwen, infrastructuur, machines en ICT-materiaal, en emissies gekoppeld aan overheidsdiensten waar de consument niet rechtstreeks voor betaalt, zoals onderwijs en defensie.
Ongeveer 50% van de totale koolstofvoetafdruk werd veroorzaakt door uitgaven van huishoudens aan huisvesting, personenvervoer en voedingsmiddelen. De koolstofvoetafdruk van huisvesting bestond voor 77% uit emissies die het gevolg zijn van energiegebruik. De koolstofvoetafdruk van personenvervoer werd grotendeels (86%) veroorzaakt door autogebruik. In de categorie voedingsmiddelen hadden vlees (24%), brood en granen (13%), en melk, kaas en eieren (14%) het grootste aandeel.
Waar willen we naartoe?
De Vlaamse Klimaatstrategie 2050 is een strategie voor directe en indirecte broeikasgasemissies. Ze focust in eerste instantie op de directe emissies op het grondgebied van Vlaanderen, maar er wordt ook de nodige aandacht geven aan maatregelen en bouwstenen die de Vlaamse koolstofvoetafdruk reduceren. Ook het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 stelt dat er bij het nemen van maatregelen moet voor gezorgd worden dat reductiemaatregelen in de niet-ETS-sectoren zo weinig mogelijk indirecte emissies veroorzaken in de ETS-sector of in het buitenland.
In de context van de circulaire economie staat het voetafdrukdenken centraal. Als we enkel rekening houden met directe emissies, kunnen de effecten van circulaire strategieën (aankoopbeleid, hergebruik, recyclage …) op het klimaat zelfs negatief lijken. Nemen we echter de broeikasgasemissies buiten Vlaanderen als gevolg van de Vlaamse consumptie mee in beschouwing, dan wordt de milieuwinst van de circulaire economie duidelijk. Bovendien hebben de consumptiedomeinen met de hoogste materialenvoetafdruk (transport, voeding en huisvesting) ook de hoogste koolstofvoetafdruk en kunnen we ruwweg 80% van de koolstofvoetafdruk van consumptie koppelen aan de productie en distributie van wereldwijd aangekochte goederen en diensten. De overige 20% ontstaat in de gebruiksfase. De manier waarop we omgaan met materialen bepaalt dus voor een groot deel onze globale klimaatimpact. Circulaire strategieën moeten bijgevolg ook leiden tot een daling van de koolstofvoetafdruk.